Lifta, historisch dorp of villawijk?

Sinds de stichting van de staat Israël ligt het Palestijnse dorp Lifta nabij Jeruzalem er verlaten bij. Een plan om er een chique buitenwijk van te maken stuit op verzet van de oorspronkelijke bewoners. Voor hen voelt het als voltooiing van de bezetting.

Dit artikel verscheen eerder in dagblad Trouw.

Aan de rand van Jeruzalem, ingeklemd tussen drie snelwegen, liggen de lege huizen van Lifta. Wie de Israëlische hoofdstad in- of uitrijdt, kijkt zo in de holle ogen van dit Palestijnse karkas. Niemand weet hoe het komt dat het dorp daar sinds de gedeeltelijke verwoesting in 1948 – de stichting van de staat Israël – nog steeds zo bijligt.

“Misschien spelen er wel schuldgevoelens mee”, zegt de Israëlische professor mensenrechten Daphna Golan. “Op een onbewuste manier willen we Lifta houden als een herinnering.” Een herinnering aan de Palestijnse dorpen die ooit overal op Israëls grondgebied stonden.

 

“Maar misschien is het ook de herinnering aan de overwinning. Of allebei.”

 

 

De vraag is of die herinnering intact blijft. Er zijn bouwplannen die van de vervallen gebouwen een chique buitenwijk willen maken met hotels en 210 appartementen. Dat is verkeerd gevallen bij de uit Lifta verdreven Palestijnen en hun nakomelingen. Zij vinden dat Lifta niet aangeraakt mag worden en nog steeds van hen is. De Israëlische rechter hoorde hun bezwaren en gaf opdracht de aanbestedingsplannen tijdelijk stop te zetten.

In mei, als Israël Onafhankelijkheidsdag viert en de Palestijnen hun Nakba, ‘dag van de catastrofe’, herdenken, doet de rechter uitspraak over de toekomst van Lifta. En daarmee ook over het verleden van wat nu een spookdorp is: moet het blijven liggen als herinnering aan het dorp dat er ooit lag en het lot dat het trof ?

In het heden is de Palestijnse aanwezigheid uitgewist, zelfs het Arabisch op het toeristisch bordje is weggekrast.Wie er wil komen, moet over een steil grindpad naar beneden schuifelen. Lifta is tegen een schuine berghelling gebouwd, in een dal, onbereikbaar voor de auto’s die er bovenlangs razen. Weinig huizen zijn intact, muren zijn afgebrokkeld, balkons ingestort. Maar onmiskenbaar zijn er de contouren van een Arabisch dorp: de bouwstijl met bogen boven deuren en ramen, de koepelvormige daken in contrast met de hoekige vorm van de gebouwen.

“Daar woonde Omar, en dat was het huis van Ahmed”, wijst Yacoub Odeh, geboren in Lifta. In zijn herinnering is Lifta een agrarisch dorp met boomgaarden om in te spelen, en met terrassen vol olijfbomen om vanaf te springen. De lente maakt Lifta nog mooier. De waterbron die uit de grond opwelt, vult eerst een bassin en stroomt dan verder langs amandel- en vijgenbomen. En alsof het nog geen paradijs lijkt, kan Odeh dat er wel van maken. “Alles was van iedereen. Het water uit de bron stroomt voor iedereen. En dus deelden we ook de opbrengst van de vruchten.”

De gezamenlijke ovens waarin brood gebakken werd, staan er nog. Ver bovenop de berg ligt nog een van de twee scholen van het dorp, en er waren twee koffiehuizen. In één ervan schoten in 1947 leden van een Joodse militaire groep zes mensen dood. Daarop ontvluchtten de inwoners het dorp, onder wie Odeh, die toen acht jaar oud was. Ze mochten niet terugkeren.

De nieuwbouwplannen voor Lifta maken Odeh woedend. Hij en vele actiegroepen met hem zetten alle zeilen bij om de bouw te voorkomen: online petities, websites in alle talen, persconferenties, rondleidingen door het dorp, schoonmaakacties, een verzoek bij de werelderfgoedorganisatie Unesco. Odeh: “Om Lifta te redden als historisch dorp.

 

Wij, de vluchtelingen uit Lifta, hebben het recht om de huizen te herbouwen, terug te komen en hier te wonen.”

 

Voor Palestijnen voelt de nieuwbouw als een voltooiing van de bezetting, meent Eitan Bronstein. Hij werkt bij Zochrot, een Israëlische organisatie die de herinnering aan het Palestijns verleden levend wil houden. “Het is politiek gevaarlijk om in Lifta te bouwen. Het is niet van ons en niet moreel.” In Jeruzalem kent iedereen Lifta en de meeste inwoners zullen volgens Bronstein ook nog wel weten dat het ooit een Palestijns dorp was. “Maar ze hebben geen idee wat er met de vluchtelingen van toen is gebeurd.”

In en na 1948 werden de meeste Palestijnse dorpen binnen Israëls landsgrenzen vernietigd. Het land ligt bezaaid met verwijzingen naar verwoeste dorpen: cactusplanten in een veld zijn een aanwijzing dat er ooit Arabische huizen stonden, muurtjes van een meter hoog in een bos geven de contouren aan van een woning.

De dorpen die niet werden verwoest, zijn onherkenbaar gerenoveerd, zoals Ein Kerem, een buitenwijk van Jeruzalem, of de Joodse kunstenaarskolonie Ein Hod. Lifta is een vreemde eend in de bijt, want het werd niet volledig verwoest en niet bewoond. “Het is een hele betekenisvolle plek”, zegt hoogleraar Golan, die ook strijdt voor behoud van Lifta. “Je denkt er niet alleen aan het verleden, je zíet het ook.”

Ablah Abdallah wijst haar dochter de plek waar ze is geboren. Het huis staat er niet meer, net zoals het grootste deel van de oorspronkelijk huizen. Ze was twee jaar toen haar ouders met haar Lifta ontvluchtten. Nu heeft ze haar dochter meegenomen voor een rondleiding door het dorp. De vrouwen fotograferen elkaar om beurten. Voor de ruïnes van de moskee, voor een cactusplant. “Het is een emotioneel bezoek”, zegt dochter Lina. “We zijn zo ver weg van Lifta, zowel fysiek als in onze gedachten.”

Ze woont nu in Oost- Jeruzalem, slechts een paar kilometer verderop, maar zou niet mogen kopen in Lifta. Ook al groeide Lina op met verhalen over het dorp, het is de eerste keer dat ze er komt. Gewoonlijk durft ze niet. En terecht. Ver van het natuurschoon is het vervallen dorp een unheimische plek, ideaal voor zwervers en junks die het niet erg vinden dat de fijnbeschilderde tegelvloeren gebroken zijn, dat er gaten in de daken zijn gemaakt om de huizen onbewoonbaar te maken.

Wat er op een vrije zaterdag rondloopt, is een vreemde mix van nieuwsgierige wandelaars, orthodox religieuze joden die een bad nemen, barbecueënde dagjesmensen en opgeschoten jongens die hen allemaal lastig vallen. ‘Balestinian beoble’, echoet een jochie met een keppeltje het Arabische accent van Odeh. De oud-bewoner loopt de vervallen moskee in en kijkt naar de plek van de begraafplaats, overwoekerd met gras.

Wat de bezwaren tot nu toe hebben uitgehaald, is dat er geen gebouwen staan gepland op de plek van de begraafplaats en de moskee. Volgens het plan blijven de huizen staan, opgeknapt en aangepast. Er is een nette brochure over de  nieuwe villawijk in het Engels, maar een toelichting willen de architecten en projectontwikkelaar niet geven nu de aanbesteding nog niet klaar is. De locatie is perfect, het natuurschoon prachtig, jubelt de folder. De grootte van de getekende huizen is ongekend ruim voor Israëlische begrippen.

Dat betekent hoge huizenprijzen en in Jeruzalem meestal buitenlandse, Joodse kopers. Maar de actievoerders denken dat het niet zo ver zal komen. Ze krijgen steun vanuit natuurorganisaties, vanuit architecten. En als de rechter inderdaad beslist dat de bouwplannen niet door mogen gaan? Wat moet er dan met Lifta gebeuren? Critici wijzen erop dat het zal vervallen als het niet opgeknapt wordt.

Maar Bronstein ziet dat als enige optie: “Het hoogst haalbare is dat er niet gebouwd wordt. Er gaan stemmen op om er dan een museum van te maken of het te restaureren. Maar dat ligt politiek erg gevoelig. Laten we het aan de vluchtelingen vragen en niet vanuit ons koloniale denken dat exotische Arabische dorpje willen behouden.”

Lifta in literatuur
Lifta was een Palestijns dorp ten noordwesten van Jeruzalem. Onder de Hebreeuwse naam ‘bron van Neftoach’ komt het voor in het bijbelboek Jozua. Het was een van de gegoede gemeenschappen rond Jeruzalem met beroemd traditioneel borduurwerk. Voor de gedeeltelijke verwoesting in 1948 stonden er zo’n 450 huizen en woonden er drieduizend mensen. De 18.000 nakomelingen wonen als
vluchtelingen verspreid over Oost-Jeruzalem, Jordanië en de Westelijke Jordaanoever. Het huidige Lifta speelt een belangrijke rol in de roman ‘De stem van Tamar’ van de Israëlische schrijver David Grossman.