In Israël loert het gevaar aan alle kanten

Tijdens de Eerste Gaza-oorlog wil Israël zijn eigen angst aan flarden schieten.

Dit opiniestuk verscheen in 2009 in NRC Next

De man van de douane op Schiphol bladert door mijn paspoort en blijft hangen bij het visum voor Israël. Overal op de luchthaven staan de televisies aan. CNN, Breaking News: crisis in het Midden-Oosten. Israël is de avond ervoor met een grondoffensief in deGazastrook begonnen en ik neem het vliegtuig naar Tel Aviv, waar ik woon.

De balie van de Israëlische luchtvaartmaatschappij heeft haar terrein uitgebreid. Meer lint en meer marechaussees met machinegeweren. „Woont u daar een beetje op een veilige plek?”, vraagt de douanier. Hij vraagt het vast gewoon om aardig te zijn, maar ik heb geen idee wat het goede antwoord is.

Ik leef in de waan dat het veilig is in Tel Aviv. Ik woon bijna een jaar in Israël en in die tijd zijn er geen zelfmoordaanslagen geweest. Dat ik bij winkels en restaurants de inhoud van mijn tas aan een beveiliger moet laten zien, vind ik een formaliteit. Mijn vaste antwoord op vragen van Nederlandse vrienden of het wel veilig is in Israël luidt: er zijn vooral veel verkeersdoden.

Het is waar, ze rijden hier als gekken. Maar zou ik niet iets banger moeten zijn? Veertig kilometer ten zuiden van mijn huis vallen Palestijnse raketten op Israëlisch grondgebied. De raketten zijn niet groot, de koers is nogal amateuristisch – vele komen gewoon in de woestijn terecht. Het hoort bij het dagelijks nieuws, een klein berichtje in een Israëlische krant.

Soms raken de raketten wel doel. De afgelopen acht jaar kwamen daarbij 24 mensen om het leven. Maandag kwam een van de raketten neer op de speelplaats van een kinderopvang. Geen doden, geen gewonden, vijf mensen werden behandeld voor een trauma. In Nederland luidt de vaste nieuwsvolgorde: aantal doden, aantal gewonden. In Israël staat daarachter hoeveel mensen slachtofferhulp krijgen. De psychologische impact van de aanvallen is groot. Niet alleen voor de mensen die erbij stonden, iedereen is bang, want de raketten vallen willekeurig neer.

In de dorpen en steden nabij de Gazastrook is niemand langer buiten de deur dan strikt noodzakelijk. Kinderen mogen niet meer buiten spelen, scholen zijn gesloten. Als het alarm afgaat, moet iedereen naar een schuilplaats. In de auto in het zuiden denk ik:

 

„Zie je zo’n projectiel eigenlijk door de lucht vliegen voor het je raakt?”

 

 

Met die angst kunnen de Israëliërs moeilijk leven. Het is de belichaming van de angst die Israël altijd al in de greep houdt. Hoe rustig het ook is, morgen kan het mis zijn. Van alle kanten loert het gevaar: een bom in de bus, een aanval uit Iran, een stenengooier in de straat. Die dreiging wil het land bezweren. Met een bewaker voor elk café, grondige ondervragingen op de luchthaven en nu dus met aanvallen op de raketschietende Palestijnen. Israël wil in Gaza zijn eigen angst aan flarden schieten.

Tegen terreur moet gestreden worden. Daarom was er al tijden kritiek op de Israëlische regering die te weinig zou doen tegen de raketten vanuit de Gazastrook. Twijfelde de politiek uit angst voor de gevolgen van ingrijpen? Een aanval op Gaza geeft hoe dan ook angst terug: angst voor het lot van de jonge soldaten aan het front, angst voor nog meer haat tegen Israël. Na het aflopen van een staakthet-vuren nam in december het aantal raketaanvallen toe en kwamen de projectielen steeds verder. De roep om een inval in Gaza werd groter en met de verkiezingen in het vooruitzicht leek de tijd rijp. Angst is de oorzaak, politiek de aanleiding.

Ook nu het aantal Palestijnse burgerdoden niet in verhouding staat tot het aantal doden in Israël, steunt de publieke opinie het offensief. Na anderhalve week zijn er honderden Palestijnen gedood. Toch besteden de media hier vooral aandacht aan de Israëlische kant. Als ik maandag de linkse krant Haaretz van de mat raap, ben ik verbaasd. Er zijn de dag ervoor dertig Palestijnen gedood, maar de kop luidt: ‘Soldaat gedood, veertig gewond.’

Een enorme foto zoomt in op het gezicht van een gewonde soldaat op een brancard; met een zuurstofmasker, een infuus en zijn machinegeweer nog aan zijn schouder. Na een foto van een Israëlisch kind in een ziekenhuis, nog een gewonde soldaat op een brancard en een foto van een groep reservisten, komt pas de eerste Palestijn in beeld; een man draagt een jongen wiens spijkerbroek met bloed doordrenkt is. Zo gaat dat als er geen brancards zijn.

Angst is een slechte raadgever. Maar het is niet alleen de angst die de Israëliërs blind maakt voor de onmenselijke gevolgen van hun acties. Het is ook onwetendheid, vervreemding. Als je niet wilt, hoef je in Israël geen Palestijn in het echt te zien. Het is niet je buurman, hij woont ergens achter een muur.

Ik vroeg een Palestijn hoe dat nou kan, dat de Israëliërs hun ogen sluiten voor de miserabele situatie aan de andere kant van de muur. „Ze moeten eens de héle krant lezen”, antwoordde hij. Maar veel Israëliërs zijn het nieuws over het conflict zat, zei ik. Hij werd boos. „Weet je wat de Palestijnen daarom zeggen? Dat de Israëliërs alleen aandacht voor ze hebben als er bussen in Tel Aviv ontploffen.” Bij de douane op Schiphol stop ik mijn paspoort in mijn tas en kijk bij mijn antwoord de douanier niet aan. „Ik hóóp dat ik op een veilige plek woon.”