Failliet Detroit herrijst uit de as

Detroit is failliet verklaard. Maar in de vervallen autostad bloeit een nieuwe toekomst.

Dit artikel verscheen eerder in NRC Next.

‘s Avonds is het lastig een verlichte straat te vinden in de Amerikaanse stad Detroit. De gemeente zit zo diep in de schulden dat het geen lantaarnpalen kan onderhouden. Op de stoepen zie je de schimmen van zwerfhonden en zwerfkatten. Maar wie een stukje omrijdt om de pikdonkere stukken te ontwijken, ziet iets heel  anders. Die ziet de verlichte muren van de Creative Corridor aan Grand River Avenue, vol mooi gedetailleerde graffiti: straatkunst. Het is een van de vele plukjes vernieuwing tussen de braakliggende grond. Vanuit het hele land trekken jongeren en kunstenaars de stad in, aangetrokken door de enorme ruimte en de sfeer van authenticiteit. En door de lage woonkosten: voor 500 dollar (375 euro) koop je er een herenhuis.

Ooit de ideale middenklassestad in het welvarendste land ter wereld, rijk geworden van metaalindustrie en auto’s, is Detroit de afgelopen decennia een stad in ruïnes geworden. De autoindustrie (General Motors, Ford) vertrok grotendeels naar het buitenland, de rijkere blanke inwoners verhuisden naar de buitenwijken. Wat bedoeld was als Amerikaanse droomstad, naar het voorbeeld van het stratenplan van Parijs – iedereen een eigen huis, breed opgezet voor al die nieuwe auto’s –- is nu een uitgestrekt niemandsland. Op de leegstaande grond van Detroit past volgens schattingen de hele stad Parijs passen. De genadeklap kwam met de financiële crisis in 2008: de leegloop zette door. Deze zomer vroeg de stad het faillissement aan. Vandaag moet de rechter zich daar over uitspreken. Intussen betaalt de gemeente al maanden lagere ambtenarenpensioenen uit. Publieke voorzieningen als openbaar vervoer, vuilophaal en scholen zijn nog slechter geworden dan ze al waren.

Een urban prairie noemen positievelingen het graag: een stads-wildwesten, waar net zo’n pioniersmentaliteit heerst als vroeger bij de cowboys op de prairie. Kate Catlin (23) woont sinds drie maanden in Detroit.

„Het is gek in een stad met zoveel leegstand, maar ik had moeite om een appartement te vinden. Iedereen wil nu downtown wonen, op loopafstand van zijn werk. In mijn gebouw wonen alleen maar jonge mensen.”

Ze is naar Detroit gehaald door Grand Circus, een technologiebedrijf van miljardair Dan Gilbert. De van hypotheekleningen rijk geworden zakenman wil van zijn thuisstad een tweede Silicon Valley maken. Alle panden om Kate Catlins werkplek heen zijn van Gilbert. „Dit is het verhaal van Amerika dat terugkomt”, zegt ze. „Je kunt niet in zo’n stad wonen en er niet in geloven.”

In de buurt heeft elk opgeknapt kantoorgebouw een verhuurposter hangen van Bedrock, Gilberts vastgoedbedrijf. Lege winkelpanden aan de ooit bloeiende winkelstraat Woodward Avenue hebben kunst in de etalage en een poster achter de ruit: ‘Opportunity Detroit’. Een drogist is er niet, wel een boetiekje met handgemaakte verzorgingsproducten. „Mijn ouders zijn bang dat ik hier doodgeschoten word”, zegt Kate Catlin. „En aan de criminaliteit kan ik inderdaad slecht wennen – je kunt niet zomaar je mobieltje in een uitgestrekte arm houden, dan wordt het zo gejat.” Maar Catlin voelt zich veilig dankzij haar werkgever, de miljardair. Gilbert heeft in het stadscentrum camera’s laten ophangen. Een private beveiligingsdienst houdt de beelden in de gaten, bij gebrek aan genoeg politieagenten in de stad.

Het kantoor van Catlin kijkt uit op het centrale plein en de leegstaande Broderick Tower. Ook die heeft Gilbert gekocht. Een metselaar staat op een steiger en metselt de ontbrekende stenen in de vervallen muur. „Dat wordt een boetiekhotel”, zegt Tera Holcolmb. Ze geeft voor het nieuw opgezette bezoekerscentrum rondleidingen door de stad, waar ze al decennia woont. „De afgelopen vijf jaar is hier veel veranderd. Eerst waren er tien leuke winkeltjes, nu dertig. Maar de belangrijkste verandering is het perspectief.” Holcolmb hoeft voor het eerst niet meer uit te leggen waarom ze de stad nooit heeft verlaten.

„Er is hier altijd veel vrijheid geweest. Maar nu pas zien de inwoners dat als iets positiefs. Detroit hoeft niet gered te worden, we hebben alleen wat positieve energie nodig.”

Holcolmb praat liever over „de kracht van Detroit”, een stad die herrees uit de as, dan over de leegstand. Ze weigert rondleidingen te geven langs de ruïnes van panden  uit de hoogtijdagen: lege theaters, fabrieken, hotels. Ruïneporno, mopperen de inwoners op de toeristen die foto’s maken van de leegstand. Het verlaten stationsgebouw Michigan Central Station is een vaste toeristentrekpleister geworden. Terwijl bezoekers er op zondagmiddag hun fotosessies houden, drinken de hipsters in restaurant Slows Bar BQ lokaal gebrouwen bier – met uitzicht op het achttien verdiepingen tellende geraamte.

De leegstand en de criminaliteit zijn niet alleen een imago, ze vormen ook een reëel probleem: de criminaliteitscijfers stijgen, doordat er steeds minder politieagenten  betaald kunnen worden. In één week was er een schietpartij bij een kapper met drie doden, en werd het negentienjarige zwarte meisje McBride doodgeschoten toen ze bij een blanke inwoner aanklopte. De problemen zijn het grootst in de wijken met veel zwarte inwoners rondom het centrum. De opleving van de stad speelt zich voornamelijk af in de compacte binnenstad. Daar, tussen parkeerplaatsen en leegstaande kantoorpanden, ligt downtown een vredig, driehoekig parkje met plantenbakken. Op een krijtbord staat het vrijwilligersschema van de week. ‘Dinsdag: peterselie oogsten.’ In de plantenbedden groeit snijbiet, kruiden hangen aan de muur in potten. Het is opnieuw een tegenstelling: de stadstuinbouw leeft op, terwijl in de arme wijken geen supermarkt te vinden is.

Een groene stad is de droom van de nieuwkomers. Detroit, de autostad, blijkt een ideale fietsstad. Plat, brede wegen, weinig verkeer. Er zijn fietsenwinkels, een ongekend fenomeen in Amerika, er wordt een lokale fiets gebouwd en is er een fietsenmakersproject. De aanvraag van het faillissement heeft volgens Tera Holcomb, de toergids, geen verschil gemaakt in het dagelijks leven in de stad.

„We zijn zelfvoorzienend. Er is al zo lang te weinig geld, dat we geen enkele verwachting van het gemeentebestuur meer hadden. Het is eigenlijk best cool, er zijn hier geen regels.”

Wat gebeurt er met Van Gogh en Rembrandt?
Het Detroit Institute of Arts (DIA) bezit een van de grootste collecties  –zo ’n 65.000 kunstwerken –van de VS. Er hangen schilderijen van onder anderen Van Gogh, Rembrandt en Bruegel. Door het dreigende faillissement van de stad is de status van het museum onzeker. Anders dan veel andere Amerikaanse musea, die vaak eigendom zijn van particuliere stichtingen, is het DIA namelijk eigendom van de stad Detroit. Ook het merendeel van de collectie is openbaar bezit.

Nadat de gemeente het faillissement had aangevraagd, kwam er een inventarisatie van het bezit van de stad door de noodmanager – the dictator, zoals de Detroiters hem noemen. En de collectie van het museum is dus deel van dat bezit. Het museum zelf wil niet zeggen wat de collectie waard is, maar kunstkenners schatten dat die meer dan 2 miljard dollar zou kunnen opbrengen. Museumdirecteur Annmarie Erickson is op oorlogspad, dat zal haar niet gebeuren. In het museumcafé zit ze op het puntje van haar leunstoel. „We willen niets van de kunst in het museum verkopen. We zijn ook geen stickertjes aan het plakken op wat weg mag. Musea zijn geen spaarvarkens die je kunt leegschudden als het nodig is.”

Vorig jaar zorgde het DIA er zelf via een referendum voor dat bewoners in omliggende gemeentes meer belasting gingen betalen, om het instituut te onderhouden. Intussen  zijn er nieuwe initiatieven om het museum te redden. Zo neemt hosteluitbater Kevin Ward bijvoorbeeldzijn gasten mee naar het DIA. Het verhaal dat hij houdt begint als een grap: „Een vuurspuwende draak reed aan het begin van de avond naar het Detroit Institute of Arts.” Hij legt uit dat de kunst misschien verkocht moet worden als de stad failliet gaat.

Dan gaat zijn drakenverhaal verder. Het metalen monster op wielen spuugde vuur en zette de eerst nog onzichtbare in kerosine gedrenkte letters in brand: Save the Arts. Hij laat de foto’s op zijn smartphone zien. De kunstenaars reden hun draak weg, de politie kwam kijken wat er aan de hand was. „Wie heeft dit gedaan”, vroegen agenten hem. „Een draak”, antwoordde Ward. Zijn verhaal is geen grap, hij wil alleen maar vertellen dat alles kan in deze stad. „De hoogtijdagen van de stad komen niet terug, de Amerikaanse droom is voorbij. Maar de stad is niet dood. Het wordt alleen een compleet andere plek.”